Combinatietest

Al vroeg tijdens de zwangerschap kunnen we de combinatietest uitvoeren. Een combinatie van drie factoren bepaalt de uitslag:

  • Bepaalde waardes in uw bloed
  • De dikte van de nekplooi van uw kind
  • Uw leeftijd

Het bloedonderzoek

Voor het bloedonderzoek nemen we tussen uw negende en veertiende zwangerschapsweek een buisje bloed af. Daarin meten we twee hormonen. 

De nekplooimeting

Tussen de elfde en veertiende week van uw zwangerschap meten we met een echo-onderzoek de dikte van de nekplooi van uw kind. De nekplooi is een dun laagje vocht onder de huid in de nek. Alle ongeboren kinderen hebben in deze periode zo’n laagje vocht in hun nek, maar hoe dikker de nekplooi, hoe groter de kans dat de baby het downsyndroom (of een andere afwijking) heeft.

 

De uitslag

Voor de uitslag combineren we de resultaten van de twee onderzoeken met uw leeftijd en de precieze duur van uw zwangerschap. U krijgt de uitslag telefonisch, schriftelijk of in een persoonlijk gesprek. Dit hangt mede af van de volgorde van de onderzoeken. Informeer bij uw huisarts, uw verloskundige of uw gynaecoloog hoe en wanneer u de uitslag krijgt. Blijkt uit het onderzoek dat u een verhoogde kans hebt op een kind met het downsyndroom of patausyndroom of edwardssyndroom, dan krijgt u een persoonlijk gesprek met uw huisarts, verloskundige of gynaecoloog . Hij zal u dan verwijzen naar een prenataal centrum, waar de mogelijkheden van vervolgonderzoek met u besproken zullen worden.

Kansberekening

Met de combinatietest schatten we de kans in dat u in verwachting bent van een kind met het downsyndroom of patausyndroom of edwardssyndroom. De berekening wordt voor elk syndroom apart gemaakt. U weet dus niet zeker of uw kind één van de syndromen heeft. Heel soms heeft uw baby de aandoening toch, ook al geeft de test een niet-verhoogde kans aan. En als u een verhoogde kans hebt, betekent dat lang niet altijd dat uw kind de aandoening ook echt heeft.

Vervolgonderzoek

Een verhoogde kans is een kans van één op tweehonderd of groter dat u zwanger bent van een kind met het downsyndroom of patausyndroom of edwardssyndroom. Als u een verhoogde kans hebt, komt u in aanmerking voor vervolgonderzoek: vlokkentest of vruchtwaterpunctie of de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT) in combinatie met de TRIDENT-studie. Meer over de NIPT en de TRIDENT-studie vindt u hier.

 

Als de uitslag van de combinatietest geen verhoogde kans aangeeft, maar we bij de nekplooimeting een nekplooi meten van meer dan 3,5 millimeter, wordt dit gezien als een echoscopische afwijking en komt u in aanmerking voor vervolgonderzoek (vlokkentest of vruchtwaterpunctie of uitgebreid echoscopisch onderzoek bij 16 en 20 weken). De grotere nekplooi kan namelijk een aanwijzing zijn voor een andere aandoening, bijvoorbeeld turnersyndroom of een hartafwijking.

Geen garantie

De combinatietest geeft alleen aan hoe groot de kans is dat uw kind het downsyndroom of patausyndroom of edwardssyndroom heeft. Een lage kans is dus geen garantie dat uw kind geen van deze syndromen heeft. En het is ook geen garantie dat uw kind verder helemaal gezond is.

Meerlingen

Ook als u in verwachting bent van een tweeling kunt u een combinatietest laten verrichten. Bij een drieling geeft bloedonderzoek geen betrouwbare uitslag. Een combinatietest heeft dan dus geen zin. Wel kunt u kiezen voor een nekplooimeting. U krijgt dan voor elk kind apart een uitslag.

Print   |   Verstuur   |   © 2009-2010 NPDN
Design and CMS by Easy-Changer.Com